Corona-getuigenissen

Corona heeft ons ongetwijfeld allemaal op een of andere manier getroffen. En ieder heeft de voorbije weken en maanden op zijn/haar eigen manier beleefd. Vier boeiende getuigenissen …

Een rode stip op twee wielen …                                                               

‘… zou het fijn zijn een getuigenis te kunnen opnemen … ‘ staat er in de mail die collega Bart De Volder me vragend toestuurt.

Ik sta net op het punt om – zoals wekelijks in deze periode van afstandsonderwijs – naar mijn hoogbejaarde moeder te fietsen. Na een goedkeurende blik op mijn nieuwe knalrode helm stem ik toe en – geen semantische discussie aangaand – kom ik tot het geruststellende besef dat getuigen is: een persoon die verklaart wat hij gezien heeft. 
Bij uitbreiding zal ik ook mijn andere zintuigen gebruiken: horen, voelen, ruiken, proeven … Die laatste twee zijn in coronatijden weliswaar wat minder ontwikkeld. Gesloten cafés en restaurants weet je wel …

Vanaf week één van de lockdown neem ik me voor om niet ‘down’ te worden, maar wel te trachten om te gaan met de dingen zoals ze op me afkomen. Ik ben benieuwd waar dit naartoe gaat. Om te weten waar naartoe besluit ik om niet bij de pakken te blijven zitten. 

De eerste richtlijnen en verwachtingen sijpelen via SFI-mails en weekberichten binnen. Het is duidelijk dat dit serieus is en niet snel zal voorbijgaan! Tussen alle verwarrende berichtgeving door neem ik de tijd om te zien of mijn alleenwonende moeder zich hierdoor slaat. Ik mail naar info@covit of zoiets en krijg als antwoord dat ik ‘onder strikte voorwaarden’ mijn moeder mag bezoeken. Afstand bewaren! 
Dat klinkt me bekend in de oren: een vorm van afstandsonderwijs dus … Het enige verschil is dat ons moeder altijd thuis is, zeg maar online en dat ik geen herinneringen hoef te sturen. Verder hoef ik haar niets meer te leren. Ze zingt als de beste en kent tientallen liedteksten van buiten, ongelooflijk! 

Ter zake dus: ik maak met mezelf de afspraak om vanaf nu wekelijks naar mijn moeder te fietsen: 85 km heen en terug. Onderstaande beschreven fietstocht is wellicht en hopelijk een van de laatste in het coronatijdperk en een samenvatting van alle voorgaande … Ik hoop deze zalige tocht ook in post-coronatijden te kunnen volhouden. Dan pas heb ik iets geleerd!

Na een kleine 10 km fietsen arriveer ik aan de Schelde, knooppunt 2 in Zwijnaarde. Voor ik de volle breedte van de weg kan innemen, staat in witte letters op de grond gekalkt: Het jaagpad is er voor iedereen. Ik ga onmiddellijk uiterst rechts op het kantje rijden en ben nog niet bekomen van die mededeling of de eerste snelheidsremmers glijden al onder mijn wielen. Typisch Belgisch en absurd: een jaagpad met snelheidsremmers! Waarom moet alles zo snel, zo gejaagd gaan als je al na enkele honderden meter tot vertragen wordt aangemaand?
Afstandsonderwijs MO: opjagen leidt tot vertragen, aanmoedigen tot succes! Niet iedereen surft immers op brede banden of rijdt met een even goede fiets. N.v.d.r. de mijne is ook maar een instap- of beter gezegd een opstapmodel! Toch geven we er een lap(t)op!

Knooppunt 3: ik passeer het Kasteel van Zwijnaarde: een restaurant zonder klanten of afstandsonderwijsgewijs: SFI zonder mijn lieve leerlingen … zucht!

Ter hoogte van nr. 40 zie ik verschillende brandweerwagens en brandweerlui met zware pompen in de weer om de Schelde van fris en zuurstofhoudend water te voorzien. Een bietenfabriek uit Frankrijk heeft immers vervuilde pulp in de Schelde geloosd. Na die geslaagde operatie blijkt dat 90 % van de vissen gered is. Opgelucht! Diep ademhalen … ongelooflijk hoe veerkrachtig mens en dier zijn! 

Tussen nr. 32 en 29, dicht bij de bloemmolens van Eke, ontcijfer ik op een verkeersbord: verboden verkeer: uitgezonderd aangelanden en nog zoietsOver wie gaat dit … ? Eindelijk een officieel welkom aan mensen, aangeland uit andere landen? Een gevolg van de BLM-beweging?

In Asper tussen nummer 42 en 71 staat een bordje: grondaanvoer: grond nodig? In een flits vraag ik me af of het ‘vaste grond’ is … maar het telefoonnummer is al verdwenen, ik fiets te snel 🙂
Afstandsonderwijs: de kinderen geven aan dat ze eindelijk snappen wat je bedoelt. Ah, nu snap ik het …! Hun basis krijgt stilaan en stevig vorm, vaste grond, maar met geduld …!

Uit het dorp gefietst kom ik aan de spoorweg. Gelukkig liggen de dwarsliggers deze keer in mijn rijrichting en kan ik er goed mee ‘overweg’.
Afstandsonderwijs: taken inleveren: meegaan in de richting en op het tempo van de leerlingen, ook als hun timing of richting anders ligt. Een hele uitdaging, af en toe diep ademhalen … 

Via 80 en 83 kom ik aan in Huise. Na mijn wekelijkse passage begin ik me er stilaan thuis te voelen. Ik knik goeiendag naar een oudere man die met wandelstok steevast voor zijn huis buiten staat. We zijn bijna coronavrienden. Een beetje verder ligt het containerpark, eenzaam in quarantaine … Dit is ondertussen grondgebied ‘Zing em’, maar we moeten nog wachten. Zingen zal voor later zijn … te gevaarlijk, te veel aerosol!
Thuisonderwijs MO: nee, MAG-taken zijn niet verplicht.

(lees verder onder de foto)

Ik zit even in de knoop met mijn knooppunten. Nr. 88 richting 25: door werken in het centrum van Kruishoutem moet ik even goed uitkijken! Sinds kort heet dit dorp Kruisem. Opgepast dus bij het kruisen: anderhalve meter afstand! ‘Physical distancing’!

Ter hoogte van punt 49 staat tegen de muur van de lagere school een bakfiets. Die van Marc De Bel? Nee hoor, vroeger was hij hier onderwijzer, nu blinkt hij uit als schrijver!

Aan de andere kant van het dorp passeer ik café ‘t Optimistje. Hier zie ik voor het eerst terrasgangers met een kop koffie, ontwakend uit hun lockdown. Ik hoef niet over de rand te kijken om te zien dat hun kopje meer dan half vol is. Gelukkige mensen! 

Met als laatste knooppunt 31 in zicht rij ik over de E17 West-Vlaanderen binnen. Over de brug wordt de rode stip op twee wielen steeds kleiner.
Aan de horizon liggen de getuigenheuvels …
Moeder wacht geduldig op een stoeltje in de zon. Het komt goed!

Steven Lecompte, leerkracht

Aan het einde van de rit …

Wat een rollercoaster hebben we achter de rug!
Het coronaverhaal start ook op SFI na de krokusvakantie: de eerste richtlijnen van de overheid, de eerste bezorgdheid over al dan niet zieke leerlingen, teruggekeerd van Italië of van elders, de groeiende onrust op alle niveaus.
En dan gaat het snel: bijna van de ene op de andere dag mogen de leerlingen niet meer naar school komen en moet iedereen het onderwijs als het ware heruitvinden. Gelukkig staan we op SFI qua digitalisering al ver en komt het afstandsleren goed op gang. We wachten niet op de tips van hogerhand, maar maken meteen zelf een aantal duidelijke afspraken met de leerkrachten i.v.m. communicatiekanalen, evaluatie (‘alleen formatief’), aandacht voor wie dreigt achter te blijven enz. Iedereen vliegt er met goede moed in!

Intussen krijg ik ‘milde symptomen’ en ga ik, aarzelend nog, ‘in quarantaine’. Thuis werk ik zoveel mogelijk verder op mijn laptop en via de telefoon, al krijg ik het steeds lastiger. Alleen telefonisch kan ik mijn huisarts raadplegen en op basis van de gemelde symptomen verlengt hij de quarantaine tot uiteindelijk drie volle weken. Het wordt duidelijk dat nog enkele collega’s vergelijkbare symptomen hebben en bij enkelen wordt na testing bevestigd dat het om corona gaat. We horen ook steeds meer verhalen van mensen uit de SFI-familie die van nabij ernstig door de ziekte zijn getroffen. De symptomen komen en gaan, maar vooral de vermoeidheid zal nog weken blijven aanhouden.

De paasvakantie is meer dan welkom. We laten even los. Wanneer echter duidelijk wordt dat de terugkeer naar normaal onderwijs op school niet meteen aan de orde is, moeten we met het hele team al snel weer op volle kracht aan de slag.
De communicatie van de overheid komt laat, de spelregels veranderen voortdurend. We hebben het gevoel dat we altijd maar achterop hinken in onze beslissingen en in onze communicatie. Leerkrachten, ouders, leerlingen: allemaal hebben ze nood aan concrete informatie en aan antwoorden op hun vele vragen. Communiceren (‘het dringendste eerst’) wordt een van onze belangrijkste bezigheden. Vergaderen met het beleidsteam, het schoolbestuur, de nieuwe ‘coronacel’ … doen we zoveel mogelijk via Google Meet. Mijn collega, mevrouw Thienpont, houdt vooral via de telefoon de vinger aan de pols wat de leerkrachten betreft. Volgen zij de richtlijnen i.v.m. de pre-teaching goed op? Houden zij het (mentaal) nog vol?
We bevragen leerlingen, ouders en leerkrachten i.v.m. hun ervaringen met afstandsleren en pre-teaching. Globaal gezien blijkt het de meesten wel te lukken, al kost het iedereen veel moeite. Hier en daar moet worden bijgestuurd, maar de meeste leerkrachten en leerlingen doen echt hun best. Aanklampende bemoediging en coaching blijken voor sommige leerlingen hard nodig. De coördinatoren laten hen niet los. Ook de ouders dragen hun steentje bij.

Wekenlang ligt de school er verlaten en wat triest bij. Wat zijn we blij als aangekondigd wordt dat de eerste leerlingen eind mei weer naar school mogen. De veiligheidsmaatregelen die ons worden opgelegd blijken echter niet min! Onze adjunct-directeur en preventieadviseur, mevrouw Graind’orge, moet op korte tijd een risicoanalyse klaarstomen en een hele logistieke operatie op het getouw zetten. Hartverscheurende keuzes moeten we maken: veiligheid primeert, dus neen, de tweedes laten terugkeren naast de vierdes en de zesdes, dat zal helaas niet lukken. Bij het ondersteunend personeel is het alle hens aan dek om de lessenroosters en de vele toezichten te regelen. Het onderhoudspersoneel is flexibeler dan ooit en zorgt voor een kraaknette en veilige schoolomgeving.
We stellen vast dat de school er niet echt warm en uitnodigend uitziet met al die verbodstekens, veiligheidslinten enz., maar het moet zo. De eerste leerlingen komen wat aarzelend toe, met mondmasker, en zij worden begroet met ontsmettingsgel, maar ook met een gemeend ‘welkom terug!’. Na een tijdje, als in de buitenwereld de lockdown wegvalt en de maatregelen versoepelen, wordt het moeilijker om sommige leerlingen te blijven motiveren om op school alle (afstands)regels strikt op te volgen. 

Gelukkig nadert het einde van het schooljaar. Dankzij heel wat gepuzzel kan elke klas nog één keer naar school komen om dit bizarre schooljaar af te sluiten, zij het meestal opgesplitst in twee bubbels. We verwelkomen hen van harte. Er komt eindelijk wat meer leven op school, al is het van korte duur.
Alleen vierdes en zesdes krijgen nog collectieve eindtoetsen op school. Voor de rest van de leerlingen is er enkel nog formatieve toetsing thuis. Niets is zoals anders dit jaar: dus ook de delibererende klassenraden en oudercontacten gaan digitaal met alle aanpassingen van dien. Hun rapport zullen de leerlingen niet in handen krijgen, maar via mail ontvangen. De proclamatie voor onze laatstejaars? Die vindt gelukkig wel plaats, maar dan in een variant die ‘corona-proof’ is, meer bepaald als een drive-in! Dat wordt vast een onvergetelijke ervaring.

Het schooljaar zal voor sommigen bijna ongemerkt overvloeien in de vakantie. Ook die wordt anders dan anders, maar bijzonder verdiend en nodig na alle geleverde inspanningen.
Wat brengt de toekomst? Niemand die het weet … We kiezen op SFI alvast voor een versnelde uitbreiding van ons laptopproject tot het derde jaar en garanderen elke leerling van de eerste graad het gebruik van een persoonlijke chromebook. Zo zijn we op alles voorbereid. In hogere regionen werkt men al aan verschillende mogelijke scenario’s voor de start van het volgende schooljaar. Wij wachten af tot er nieuws komt … .
Hoe dan ook kijken we vol vertrouwen vooruit naar een nieuw en hopelijk zo normaal mogelijk schooljaar. Ongetwijfeld start iedereen in september met een pak extra ervaring en nieuwe inzichten en hopelijk met heel veel hernieuwde moed en enthousiasme.

Marijke Lybaert, pedagogisch directeur

Wat voelde het raar aan die eerste dag van de lockdown … Iedereen deed braaf wat er toen van ons verlangd werd. We bleven massaal binnen. Of was er op dat moment al een collectieve angst voor die onzichtbare vijand? Eventjes bleef me de gedachte hangen dat ik op een filmset terecht was gekomen … ‘Alleen op de wereld’. Je zag niemand.

Toen de ijskast bijna helemaal leeg was, moest ik wel de deur uit. Politiecontrole? Mijn boodschappenlijstje lag steevast op de passagiersstoel, mijn vrijgeleide. Gek toch wat er dan allemaal door je hoofd speelt.

In mijn vaste warenhuis leek het alsof er een nieuwe oorlog was uitgebroken. De grote gaten van leegte bezorgden me geen paniekaanval, want ik dacht wel dat het niet zo een vaart zou lopen. Tot ik de uitpuilende karren van anderen zag en ik het toen even benauwd kreeg. Wat als? Maar koppig als ik ben, besloot ik niet mee te doen aan die algemene koopwoede. “Er is genoeg voorraad” vertelden alle grote ketens …

Mensen keken me vreemd aan toen ze me zagen aanschuiven met mijn gewone wekelijkse boodschappen, niets uitpuilend. In hun ogen las ik een blik van: “Is die misschien wereldvreemd?”.

Op dat moment dacht ik terug aan de verhalen van mijn grootouders over WO II. Ik probeerde het gevoel op te roepen dat zij toen hadden: wat als er geen eten meer is, hoe kunnen we ons kind voeden? Hoe houden we haar en ons veilig voor de bommen? Als moeder huiverde ik bij deze gedachten.

Wat zouden wij dan zeuren over het feit dat de ander net wegliep met de laatste pakketten toiletpapier!

Vanaf de eerste dag dat de scholen sloten, kreeg ik medelijden met al die kinderen die het thuis om uiteenlopende redenen zo moeilijk hebben. School is voor hen vaak een veilige plek om te ontsnappen aan huiselijk geweld, misbruik, eenzaamheid, armoede … Waren ze sterk en veerkrachtig genoeg om de hele periode te overleven? (Gelukkig wist ik al vrij snel dat onze coördinatoren en onze leerkrachten schitterend werk leverden door onder andere deze leerlingen wekelijks te bellen. Leerkrachten ontmoetten hun leerlingen via Google Meet om te zien en te horen hoe ze het maakten.)

De dagelijkse cijfers in de media over het aantal ziekenhuisopnames en de zware pieken van overlijdens lieten me steeds minder geloven in dat licht aan het einde van de tunnel. Al die getuigenissen van mensen die geen afscheid meer konden nemen van partner, broer, zus, vader of moeder … Ik heb zelf ondervonden hoe belangrijk het in een rouwproces is om een laatste moment samen te zijn met de geliefde overledene.  Dat moment kregen de familieleden niet, zo intens jammer.

Midden deze zware crisis hielp de natuur om de scherpste randen van de dagen wat te verzachten. De lente was naar mijn gevoel nog nooit zo uitbundig. Geen verkeer, geen vliegtuigen, geen lawaai uit de buurt, alleen af en toe het zachte zuchten van de wind. Het gezang van de flirtende merels, de ijverige musjes en vinken en hier en daar al het gekwetter van terugkerende zwaluwen. Nu kon je ze echt horen en ervan genieten zonder storende achtergrondgeluiden. Het frisse groen aan de bomen en de heerlijke geur van jasmijn in de tuin. Eventjes of wat langer met de buurvrouw kunnen praten die aan de overkant van onze straat woont en vragen of alles wel lukt. Kan ik boodschappen voor je halen?

Ik voelde me een zondagskind om nu in een groene omgeving te mogen wonen. De natuur deelde geschenken uit … De stralend blauwe hemel ’s morgens hielp om mijn gemoedstoestand, en dat van heel wat mensen, op een positief peil te houden. Een dag vol zon werkte aanstekelijk en gaf me energie om die vervelende klus eindelijk te klaren.

Een nog groter geschenk was ‘tijd’; geen ratrace, geen druk van een agenda, geen verplichtingen meer. Geen moeten, maar mogen …

Net als vele anderen kreeg ik de tijd om te denken, te reflecteren, te helen. Ik blijf met de vraag spelen of we lessen zullen trekken uit al het positieve dat deze coronacrisis met zich meebracht: het samenhorigheidsgevoel, de warmte van solidariteitsacties en hartelijke betrokkenheid, de waardering voor de lieve huisarts, voor de vriendelijke dame aan de kassa, voor de zorgsectoren, van de gedreven topspecialist naar de oprecht bekommerde verpleegkundige en van de hardwerkende zorgkundige in de woonzorgcentra tot de supernette poetsdame in de ziekenhuizen. Elke schakel telde bij het redden van levens, al was het maar door een deugddoende babbel met al die vereenzaamde ouderen.

We ontdekten soms ook talenten waarvan we ons niet bewust waren en gaven zo een nieuw elan aan ons leven. Aan de lege rekken van bloem en gist te zien, was half Vlaanderen aan het bakken gegaan om zo de gezelligheid in huis te vergroten. Toch zo slecht nog niet wat onze (groot)moeders ons ooit aanleerden: eenvoudige dingen zoals een zelfgebakken taart op zondag scheppen fijne gezinsmomenten.

Ik vind het ook heerlijk om net boven het mondmasker de lachende ogen te ontdekken van mensen die ik al een hele tijd moest missen, al is het dan nog altijd van op een veilige afstand en zonder de gebruikelijke knuffel. Wat hebben we elkaar nodig!

Nu de sterk dalende trends van de coronacijfers zich doorzetten, hoop ik dat we langzamerhand naar het nieuwe normaal zullen evolueren. Wat dat precies zal inhouden, weet ik niet. De geschiedenisboeken zullen me dat later wel uitleggen.

Kunnen we tijdens de vakantie onze gedachten nog even weghouden van de slechte economische voorspellingen en van de eventuele tweede golf? Ik vermoed dat we onszelf beter nog eens onderdompelen in een fijn luilekker vakantiegevoel om zo de nodige krachten op te doen om al wat ons nog te wachten staat goed aan te kunnen. Misschien valt het allemaal nog mee, zijn we inventief genoeg om collectief het hoofd recht te houden. Duimen maar! 

Marleen De Jaeger, verantwoordelijke mediatheek

Het was een beetje onwennig toen we op vrijdag 13 maart afscheid namen van elkaar en zeiden ‘Tot?’. We wisten niet wat komen zou of hoe lang het zou duren. Maar niemand van ons had verwacht dat dit de laatste echte lesdag op school was voor de leerlingen en collega’s van de eerste graad. 

En eerlijk is eerlijk: die eerste dagen leek het heerlijk rustig … Ik had eindelijk tijd om leerlingendossiers in orde te brengen, verslagen af te werken, visieteksten te herschrijven enz. Ik zat boordevol plannen! Maar na anderhalve dag kwamen de eerste telefoontjes van bezorgde collega’s, ouders en leerlingen. Heel wat kinderen bleken een computer te moeten delen in het gezin of er was geen computer in huis. We hebben er alles aan gedaan om ervoor te zorgen dat iedereen zijn werk kon maken en over een chromebook of laptop beschikte. Daarvoor leenden we al ons materiaal uit, want van de beloofde laptops van minister Ben Weyts zagen we er geen enkele. 
Naast de materiële zorgen was er ook het probleem van een rustige werkplek: ouders aan het telewerken, kleinere broers of zusjes die lawaai maken en ondertussen maar proberen te werken. Of ouders waren volop aan het werk en kinderen moesten zichzelf maar zien te redden. Ook situaties waarbij het hele gezin thuis was omwille van werkloosheid zorgde voor spanning.
De coördinatoren probeerden er samen met de collega’s alles aan te doen om leerlingen te coachen en te steunen. Maar het waren erg veel leerlingen en de dagen werden steeds langer, de weekends steeds korter.

De aanstelling van klascoaches bleek in dat opzicht een goede zet. Elke klas kreeg een eigen coach toegewezen die ervoor zorgde dat de leerlingen kort opgevolgd werden: zowel het welbevinden werd bevraagd als het schoolwerk gecontroleerd. Zijn alle taken gemaakt? Wie dreigt van de radar te verdwijnen? De coaches belden en mailden naar ouders en leerlingen. En bij wie we echt dreigden te verliezen, gingen we op stoepbezoek. 

En toen kwam het verlossende bericht dat de zesdes, vierdes en tweedes weer naar school mochten. De opgelegde veiligheidsmaatregelen waren echter enorm, de drie jaren naar school halen bleek onmogelijk. We hebben toen beslist de leerlingen van de eerste graad elk een terugkommoment te bieden en daarnaast vooral in te zetten op leerlingen waar we ons zorgen om maakten. Die werden in veilige bubbels op school uitgenodigd om een remediëringstraject te volgen en werden daar gecoacht door mevrouw De Geyter en de heer Guellec. Op die manier trachtten we hen zo goed mogelijk te ondersteunen om de leerplandoelen te behalen.  

De terugkommomenten voor de hele eerste graad waren kort maar o zo fijn! Heel wat leerlingen waren dankbaar dat we geprobeerd hebben hen nog eens uit te nodigen. De lach op de meeste gezichten was groot; dat zagen we zelfs met mondmasker! Ik heb die dagen meer dan 300 paar handen ontsmet zodat ik elke leerling nog even persoonlijk kon zien. Ik kon geen vrede nemen met het einde van een schooljaar zonder leerlingen. Ook de collega’s van de tweede en de derde graad stonden zo vaak als mogelijk aan de poort om hun leerlingen te verwelkomen op de les- of terugkomdagen. 

Deze hele periode heeft me veel geleerd. Een eerste belangrijk inzicht is dat hoe hard je ook je best doet om je leerlingen een veilig gevoel te geven, ze niet gauw zullen toegeven dat ze nog steeds op een telefoon moeten werken of geen internet hebben. Er is veel verdoken armoede, al zie je dat niet aan het uiterlijk.
Daarnaast leerde ik dat er geweldig veel collegialiteit is bij ons: leraren die elkaar steunden of spontaan taken overnamen (want ook in ons team werden collega’s geconfronteerd met lijden en afscheid), ze coachten elkaar in het ontwerpen van Bookwidgets, bleven niet aflatend in overleg gaan na een lastig oudercontact enz. 
Een derde constatatie is dat de leraren én de leerlingen van de eerste graad een geweldige sprong maakten op het vlak van ICT. Waar de collega’s en leerlingen van de andere graden al langer met de laptop werken en digitaal lesgeven of les krijgen, is er in de eerste graad op korte tijd een grote ommezwaai gekomen. Niet evident voor de eerstejaars voor wie het allemaal nieuw was, voor al wie de stap naar de ‘grote school’ nog maar net aan het verteren was … 
Een vierde vaststelling is een slogan die we ooit op de dag van de leraar kregen op een mok: ‘de leerkracht doet ertoe’. Leerlingen zeggen me dat ze school missen, dat thuis les volgen pas écht saai is, dat ze blij zijn dat leraren Google Meets houden en de zaken uitleggen, desnoods drie keer na elkaar. En hoewel de digitale tools heel wat ondersteuning bieden, is het toch nog steeds de leraar die voor de verbinding zorgt en leerlingen motiveert, aanmoedigt, aan boord houdt, bijstuurt, verder brengt. Al vinden sommige leerlingen dat aanklampend beleid soms erg lastig 😉
En ten slotte is mijn vijfde vaststelling na deze hele periode dat grote uitspraken doen nooit goed is en dat elk verhaal (minstens) twee kanten heeft. Zo ook de uitspraak ‘een verloren generatie’ of ‘deze achterstand komt nooit goed’. Ik vond het vreselijk deze uitspraken in de media te horen. Want ik zag vooral de veerkracht van onze jongeren, het wel eens afhaken maar toch weer herbeginnen, een geweldige groei in zelfredzaamheid, leren plannen en organiseren, hulp durven vragen, ICT-vaardigheden enz. Ze leerden geweldig veel bij en groeiden. Nog nooit is er een generatie geweest die zo de kans kreeg tot het in handen nemen van het eigen leerproces. En hoe ze dat deden! Met vallen en opstaan. De ene beter of vlotter dan de andere. Maar élke leerling leerde bij en groeide. En ik wil vooral die boodschap vasthouden. Hoe lastig deze periode ook was, ze bracht ons ook veel bij. 

Hartelijk dank aan alle collega’s, alle leerlingen en ouders. Samen hebben we het gehaald. Geniet na de vele inspanningen allemaal van een welverdiende vakantie. Het wordt een andere vakantie, maar hoe dan ook mag de druk even van de ketel. En hopelijk zien we elkaar in september in betere omstandigheden … 

Lieke Kuijte, coördinator eerste graad